Bofkont

'Van mijn zesde tot mijn dertiende woonde ik in Indonesië, waar mijn vader zendingspredikant was. We leefden er niet zoals de meeste andere Nederlanders in een afgeschermde wijk, maar tussen de arme gezinnen. Ook wij waren niet rijk, maar toch merkte ik wat voor bofkont ik was.'

Míjn wieg had in Nederland gestaan, en alleen daardoor had ik al zoveel meer kansen. Mijn ouders vroegen zich aan de eetkamertafel vaak af hoe ze het leven van deze mensen konden verbeteren. Als kind deed ik half vanonder de tafelrand aan die gesprekken mee. Daar merkte ik voor het eerst dat ik iets van mijn geluk wilde delen met anderen. Ik wist alleen nog niet hoe.

Jacobine Geel (55) studeerde theologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Ze werd bekend met de tv-programma’s Geel en Jacobine. Tegenwoordig presenteert ze het tv-programma Jacobine. Ook preekt ze zo nu en dan nog.

Die behoefte om met anderen te delen, heb ik nog steeds. Het Bijbelse zinnetje ‘Mens, waar is je broeder?’ geeft daarbij richting. Al moet ik eerlijk bekennen dat het ook wel eens hinderlijk knaagt aan mijn geweten. Geef en doe ik wel genoeg, of laat ik me meevoeren in de waan van de dag? Maar het is zeker zo dat ik me wil inspannen om mensen te geven wat ze nodig hebben om hun leven te verbeteren. Een touwladder waarmee ze zelf naar boven kunnen klauteren. Dat is een van de drijfveren achter mijn werk als bestuursvoorzitter van GGZ Nederland, maar nog nadrukkelijker achter mijn inzet voor Oikocredit Nederland, een beleggingsfonds voor onder andere microfinanciering. De kracht van microfinanciering is dat het niet alleen gaat om geld géven aan ontwikkelingslanden. Door kleine leningen te verstrekken aan beginnende ondernemers, kunnen ze zelf aan hun toekomst bouwen.

GEEN GROOTSE GEBAREN

Ook in mijn dagelijkse leven probeer ik mensen die touwladder aan te reiken. Ik stel mijn huis graag open voor vrienden en familie die het nodig hebben. Zo komt een vriendin na een ziekenhuisbezoek een paar dagen bij ons bijtanken, en huren we sinds een paar jaar in de zomer een huis in Frankrijk, waar echt iedereen welkom is. En ook voor vreemden houd ik mijn ogen open. Voor de man met de grote rugtas, die een paar dagen achter elkaar rond etenstijd in mijn straat rondhing. Ik nam uit de supermarkt wat te eten en te drinken voor hem mee en maakte een praatje.

‘Het zijn misschien geen grootse gebaren, maar voor degene die ze ontvangt, betekent het vaak wel veel.’

Ik ben dankbaar voor de kansen in mijn leven, en daar sta ik ook geregeld bij stil. Ik probeer er elke week wel een momentje voor te vinden. Het is een mooie manier om te vertragen in onze snelle samenleving. En het helpt om mijn leven in perspectief te zien: ik ben nog steeds een bofkont.