Opgroeien zonder stabiele basis

Stel je voor: je bent achttien en van de ene op de andere dag sta je er alleen voor. Moet je een dak boven je hoofd regelen, voor inkomen zorgen en werken aan je toekomst. Voor jongeren uit de jeugdzorg is dat realiteit. Terwijl zij nu juist de basis missen om deze uitdagingen aan te kunnen.

Veel van de ruim twaalfduizend zwerfjongeren kunnen moeilijk hun weg vinden. Ze hebben door omstandigheden nooit de kans gekregen hun talenten te ontdekken. Ze hebben geen basale levensvaardigheden opgedaan waarmee je het redt in de maatschappij, en geen sociaal netwerk opgebouwd van mensen die hen onvoorwaardelijk steunen. Vaak kampen ze met armoede, verslavingen, psychische aandoeningen en schulden. Hoe is dat tij te keren? Kunnen maatschappelijke organisaties, de overheid en de samenleving op zo’n manier de krachten bundelen dat ook deze jongeren de kans krijgen hun plek te vinden? We spraken met drie deskundigen over oorzaken, oplossingen en kansen. ‘Wat in elk geval níét helpt, is stigmatisering.’

HET PROBLEEM

‘Het is onrealistisch om van jongeren te verwachten dat ze volwassen kunnen worden zonder veiligheid, hulp en onvoorwaardelijke steun’, vindt Pauline Naber, emeritus hoogleraar Leefwerelden aan de Hogeschool Inholland. ‘Niemand weet in één keer hoe het moet. Iedereen heeft hulp nodig. Van een vader, moeder, vriend, buurvrouw, wie dan ook. Mensen aan wie je je kunt spiegelen. Die je de deur uitduwen als je te laat op school dreigt te komen, maar er ook voor je zijn als je een keer tegenslag te verwerken hebt. Onvoorwaardelijke steun, tot je zelfstandig verder kunt. En zelfs daarna nog.’

Marleen van der Kolk, programmamaker bij Stichting Zwerfjongeren Nederland (SZN) beaamt dat. ‘Dak- en thuisloze jongeren missen de basis; liefde, veiligheid, geloof en vertrouwen. Zaken die je nodig hebt om je leven richting te kunnen geven. En die je in staat stellen jezelf in je eigen tempo te ontwikkelen. Deze jongeren missen de handvatten om hun weg te kunnen vinden in het leven.’

‘Deze jongeren missen de handvatten om hun weg te kunnen vinden in het leven.’

Het merendeel van de zwerfjongeren, ruim zestig procent, is op jonge leeftijd uit huis geplaatst en overgedragen aan de jeugdzorg. Dat kan een pleeggezin zijn, of een residentiële instelling. Van der Kolk: ‘Het is fijn dat er oplossingen zijn voor kinderen die voor hun eigen veiligheid uit huis worden gehaald. Maar toch halen die oplossingen het niet bij een stabiel gezin waarin een jongere zich kan ontwikkelen en ontplooien.’

En dan zijn er vaak nog persoonlijke issues, zoals stoornissen en psychische problemen in het spel. Naber: ‘Bijna al deze jongeren worstelen met vertrouwenskwesties en hechtingsproblemen. Als kind leer je, als het goed is, dat het vertrouwen van je ouders onvoorwaardelijk is. Niet alleen in de eerste jaren, maar ook in de jaren erna. Maar deze jongeren kennen dat niet, de band met thuis is beschadigd. En dat is slecht voor hun zelfvertrouwen. Het is voor hen daardoor heel moeilijk een sterk sociaal netwerk op te bouwen.’

DE AANPAK

Het mag dan onrealistisch zijn, in Nederland verwacht de politiek dat een jongere op zijn achttiende voor zichzelf kan zorgen. Maar veel jongeren in de jeugdzorg worden nog onvoldoende voorbereid op een zelfstandig bestaan. ‘Het ene moment zit iemand nog in een instelling, met regels en protocollen, en het andere moment staat hij op straat. De nazorg is beperkt. De boodschap is: vind je eigen weg maar’, zegt Naber. ‘Maar wie dat serieus verwacht, overschat de weerbaarheid van deze jongeren.’

‘Ze hebben juist extra hulp nodig, niet minder’

Het gevolg: ze belanden op straat. Of ze gaan ‘bankhoppen’; dan weer bij een vriend wonen, dan weer bij een tante. Werk vinden is moeilijk, naar school gaan ook. Van der Kolk: ‘Bepaalde vaardigheden hebben ze nooit geleerd, zoals budgetteren of een administratie bijhouden. En dat terwijl ze wél belangrijke verantwoordelijkheden krijgen van de overheid. Ze moeten bijvoorbeeld hun premie voor de ziektekostenverzekering betalen. Maar hun zorgtoeslag gaat vaak naar primaire behoeften, zoals eten en drinken. Als ze het al hebben aangevraagd. Gevolg: een schuld die snel oploopt.’

Dat de huidige aanpak van het daklozenprobleem niet goed werkt, vindt steeds meer weerklank. Zeker nu het aantal dakloze jongeren stijgt [zie kader]. De overheveling van de jeugdzorg naar de gemeenten heeft niet geleid tot betere opvang en begeleiding van de dakloze jongeren. In een brandbief naar de Tweede Kamer meldde de Rekenkamer in mei dat de vier grote steden er niet in slagen hun daklozen goed op te vangen.

Ook SZN vindt dat de opvang en begeleiding beter kunnen. ‘In onze optiek doet de politiek te weinig. Er mag wel een tandje bij’, zegt Van der Kolk. ‘We zijn blij met de rapporten en de brandbrief van de Rekenkamer, want die onderschrijven dat. Tegelijkertijd zijn de bevindingen alarmerend. De basale zorg waar deze jongeren recht op hebben, is niet geregeld. Zo krijgen ze meestal alleen nachtopvang en moeten ze de rest van de dag zichzelf maar redden, vaak betekent dat op straat rondlopen. Ondanks de leerplicht en kwalificatieplicht. Hiermee worden mensenrechten geschonden. Zoals het recht op een dak boven je hoofd, onderwijs en zorg. Dat is ernstig.’

Met financiering van Kansfonds onderzocht Frank van Steenbergen, senior onderzoeker en adviseur bij onderzoeksinstituut DRIFT, het opvangsysteem in Nederland. ‘Nu is er nog maar een beperkte groep die zich echt druk maakt om het welzijn, de ontwikkeling en de opvang van dak- en thuisloze jongeren. Waar het heen moet, is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, waarin ook de gemeenten hun rol pakken. Waar problemen integraal en parallel aangepakt worden. Schuldhulpverlening, huisvesting, onderwijs: alles tegelijk.’

Om dat te kunnen bereiken, moet de overheid wel eerst het bestaan van de zwerfjongeren erkennen. En dat is iets waar nog niet alle gemeenten aan toe zijn. Van der Kolk: ‘Wij worden vaak aangesproken op de naam zwerfjongeren. Hebben we die wel in Nederland? Ik hoor nog veel ambtenaren zeggen dat jongeren “toch nachtopvang hebben” of “bankhopper zijn en niet op straat hoeven te zwerven”.’

‘Nachtopvang is er wel, maar ten eerste zit die vaak vol, en ten tweede ben je er tussen negen en vijf niet welkom. Feitelijk is er dan geen “veilig thuis” waar een jongere zich gezond kan ontwikkelen en zich op de toekomst kan richten. Ze zwerven van vriendje naar vriendje of zijn overdag de hele dag op straat totdat de nachtopvang om vijf uur weer opengaat. We zijn blijkbaar collectief het gevoel kwijtgeraakt hoe belangrijk het is en wat het met je doet om een “veilig thuis” te hebben. Dat gevoel moet weer terug.’

Waar het aan ontbreekt, zegt Van der Kolk, is perspectief voor de jongeren. ‘Als je als overheid de rol van ouder overneemt, en dat is feitelijk wat gebeurt bij een uithuisplaatsing, dan heb je de morele plicht die rol tot het einde te vervullen. Je hebt dan als overheid de verantwoordelijkheid jongeren te begeleiden naar een stabiele situatie, waarin ze werkelijk voor zichzelf kunnen zorgen. Daar kun je geen leeftijd aan verbinden. Achttien is sowieso te jong, maar ook op 23-jarige leeftijd is nog niet iedereen zover. Je moet leeftijd loslaten en de ontwikkeling als uitgangspunt nemen. Zoals ouders dat ook doen.’

DE OPLOSSING

Van Steenbergen ziet geen ultieme oplossing. ‘Er zijn altijd mensen die op een of andere manier de boot missen. In die zin is dit fenomeen tijdloos. Maar de aanpak moet beter. Zodra jongeren achttien zijn en er alleen voor komen te staan, moet je als gemeente iets aanbieden. Dat kan maatwerk zijn, waarbij je per jongere kijkt naar de behoefte. Een andere optie is een bredere aanpak, waarin zaken als inkomen, onderdak, ondersteuning, perspectief en een sociaal netwerk allemaal tegelijk aandacht krijgen. Neem het inkomen. Dat hebben jongeren vaak niet. Natuurlijk, er is een jongerenuitkering, maar die is slechts een fractie van de normale bijstandsuitkering. Daarvan kunnen ze niet rondkomen. En bovendien moeten ze die aanvragen ver voordat ze achttien worden, anders ontstaat er alsnog een gat. Het vangnet goed inrichten, dat is belangrijk.’ Daar voegt Van Steenbergen een dringend advies aan toe: ‘Als je iets doet, doe het dan voor de lange termijn. Deze jongeren hebben behoefte aan stabiliteit en zekerheid. En dat geef je ze niet met korte ondersteuning die een jaartje duurt en dan weer stopt.’

‘Werk aan een systeem waarop ze kunnen bouwen’

Van der Kolk pleit ook voor meer actie en samenwerking. ‘Er is ontzettend veel onderzoek gedaan naar deze doelgroep en hun omstandigheden. Genoeg om concreet mee aan de slag te gaan. Onze boodschap: stop met onderzoeken en ga lokaal met jongeren aan de slag. En, zou ik gemeenten willen meegeven, neem de mensenrechten als basis voor dat beleid.’

Voorkomen is beter dan genezen, daar zijn alle geïnterviewden het over eens. ‘Met een goede samenwerking tussen instellingen, overheid en maatschappelijke organisaties is meer maatwerk mogelijk’, zegt Naber. ‘Iedereen heeft daarin een eigen taak, en als alles goed op elkaar aansluit, is veel leed te voorkomen. Maar dan moet iedereen wel dezelfde visie delen. De overgang naar volwassenheid moet voor deze jongeren flexibeler worden benaderd. Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van de hersenen na het achttiende levensjaar nog tot het 27ste doorgaat. Dus zijn veel jongeren – met name de kwetsbare – vaak nog niet in staat om te plannen en structuur in hun leven aan te brengen.’

‘Het is mede aan de overheid om kaders te scheppen om dat te kunnen leren. Beschermde huisvesting, inkomen, opleidingsmogelijkheden, werkervaringsplekken: dat moet allemaal geregeld worden. Ook het bedrijfsleven speelt daarin een belangrijke rol. Maar ook het werken aan een stevig netwerk, het aangaan van vertrouwensbanden, het ontwikkelen van levensvaardigheden en het ontdekken van talenten zijn van belang. Daar ligt een taak voor fondsen en projecten om passende activiteiten te stimuleren en ondersteunen. Ook de samenleving kan een grote rol spelen. Wat in elk geval niet helpt, is stigmatisering. Net zomin als moraliserend gedrag, daar heeft een jongere geen behoefte aan. Wel aan oprechte belangstelling, een luisterend oor en een persoonlijke benadering. We kunnen deze jongeren niet eeuwig beschermen, maar we hebben de verplichting om hun een goede kans te bieden op een stabiel bestaan.’