Vier jaar na de migratiepiek: wat hebben we bereikt?

In 2015 trokken honderden migranten per dag naar Europa. Ook in Nederland klopten ze aan. In dit dossier blikken we terug. Hoe deed Nederland het? Wat zijn de lessen? En: hoe zijn de vluchtelingen eruit gekomen?

In 2015 komen dagelijks honderden migranten aan in Europa. Uit Afghanistan, Irak, Eritrea, maar vooral uit Syrië. ‘Wir schaffen das’, roept de Duitse bondskanselier Angela Merkel eind augustus 2015 over de opvang van de toegenomen vluchtelingenstroom. Ook in Nederland neemt het aantal vluchtelingen sterk toe. In 2015 komen er bijna 57.000 vluchtelingen naar ons land, een verdubbeling ten opzichte van 2014. Sporthallen worden met hulp van duizenden vrijwilligers verbouwd tot tijdelijke opvangplekken, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) opent nieuwe opvangcentra. Diverse daarvan herbergen meer dan duizend vluchtelingen.

Het thema beheerst maandenlang het nieuws. Nederland is verdeeld, ook politiek Den Haag. Sommige partijen zeggen net als Merkel dat Nederland de vluchtelingenstroom aankan, andere
schreeuwen dat de grenzen dicht moeten. Vier jaar later kijken we terug: hoe heeft Nederland het gedaan? Wat hebben we geleerd? Hoe zijn de vluchtelingen er zelf uitgekomen? Bespiegelingen van een hoogleraar, burgerinitiatief BOOST en een vluchteling.

Jaco

‘Door de vluchtelingenstroom in 2015 zijn het opvang- en integratiebeleid van vluchtelingen in Nederland meer bij elkaar gekomen. Voor 2015 regelden we alleen opvang: op taalles en inburgering heerste min of meer een taboe. Waarom zou je geld spenderen aan mensen die toch weer weggaan? Dat argument verdween resoluut in 2015. Het was immers duidelijk dat veel vluchtelingen uit Syrië en Eritrea in Nederland zouden blijven, de situatie in hun thuisland was te slecht. Daarnaast wisten we uit eerdere ervaringen dat de lange wachttijd in asielcentra desastreus is voor de psychische gezondheid en dat een moeizame start niet snel ingelopen wordt.

Veel gemeenten gingen dan ook over tot een zogenoemde waardevolle wachttijd, waarbij tijdens de opvang al aandacht is voor taal, opleiding en werk. De pragmatische aanpak won van de ideologische discussie of je moet investeren in vluchtelingen zonder status.’

‘Er wordt nu eerder met taalles en inburgering begonnen’

Schoolbanken

‘De verandering in aanpak zien we ook terug in het nieuwe inburgeringsbeleid dat in 2021 ingaat. Gemeenten krijgen de regie en meer mogelijkheden om in te spelen op behoeften van specifieke doelgroepen. De volgorde was: eerst taal, dan opleiding, dan werk. Bij jongeren werkt dat vaak prima. Voor anderen is een combinatie van werk en taal beter. Eritreeërs bijvoorbeeld willen liever werken dan in de schoolbanken. Ook is er meer aandacht voor de niveauverschillen tussen taalscholen en de integratie van vrouwen. Of de veranderingen succesvol zijn, zal de tijd leren. Uit eigen onderzoek van Erasmus Universiteit begin 2018 weten we dat Syriërs die in 2014 en 2015 een status in Nederland kregen, zich hier veilig en thuis voelen. Maar 90 procent zit in de bijstand, laat staan dat ze werk op hun eigen niveau hebben. Dit jaar is de arbeidsparticipatie wel gestegen, maar integratie vergt een lange adem. Daarbij spelen ook gezondheidsklachten een rol. Zeker Syriërs zijn hier onder erbarmelijke omstandigheden terechtgekomen. Velen hebben specialistische psychische hulp nodig, maar vaak ontbreekt het nog aan kennis over vluchttrauma’s.’

‘In een aantal gemeenten was er eerst weerstand tegen een asielzoekerscentrum, maar interessant was dat inwoner het ook jammer vonden dat ze sloten, toen de hausse voorbij was.’

Klik op de infographic om deze te vergroten

‘Nederland heeft zeker geleerd van de enorme vluchtelingenstroom in 2015, veel is positief veranderd. Van 2015 weten we ook dat we grote groepen kunnen opvangen. In een aantal gemeenten was er eerst weerstand tegen een asielzoekerscentrum, maar interessant was dat inwoners het ook jammer vonden dat ze sloten, toen de hausse voorbij was. De overlast viel mee, en de invloed op de economie was gunstig: meer inwoners, meer kinderen. Het zou goed zijn om een opvangbuffer te hebben voor een eventuele toekomstige grote vluchtelingenstroom. Kleinere locaties die nu op een andere manier nuttig gebruikt kunnen worden en snel beschikbaar zijn als het nodig is. Maar dat is lastig te realiseren.’ – Jaco Dagevos, bijzonder hoogleraar integratie en migratie aan de Erasmus Universiteit

Ramon:

‘In de zomer van 2015 was ik actief in de buurtontwikkeling, samen met vele anderen in Amsterdam. De vluchtelingenstroom was volop in het nieuws. Het sentiment was negatief en de overheid benaderde het vraagstuk top-down met grote opvangkampen. We besloten in actie te komen; als je wilt dat mensen op de vlucht goed opgevangen worden en kunnen meedoen in de maatschappij, dan moet je dat niet aan de overheid alleen overlaten. Bovendien wilden we een alternatief bieden voor de grootschalige centra. We peilden het draagvlak onder buurtbewoners en dat bleek groot. Ook de gemeente werkte mee. We konden een opvanglocatie voor dertig vluchtelingen regelen. De buurt bracht eten, kwam kennismaken, sommigen namen een vluchteling mee naar hun sportclub of een evenement. Hartverwarmend. We werden een ontmoetingsplaats voor vluchtelingen en Amsterdammers, precies wat we wilden. Zo is BOOST ontstaan.’

‘We werden een ontmoetingsplaats voor vluchtelingen en Amsterdammers’

‘Bijna vier jaar verder zijn we twee keer verhuisd en gonst het van de activiteiten bij BOOST. We geven taalles, computerles, naailes, fietsles. Er is een taalcafé, we sporten, dansen, koken en eten samen. En doen nog tal van andere activiteiten. Vijf dagen per week realiseren we met 150 vrijwilligers een continu programma. Het aanbod is groot, vluchtelingen kiezen zelf waaraan ze meedoen, in hun eigen tempo. We nemen de tijd voor elkaars verhalen, maar vragen niet expliciet naar iemands vluchtachtergrond. Vaak gaat het over het nu en de toekomst. Het concept werkt. Belangrijk is dat we alles onder één dak doen. Mensen ontmoeten elkaar, praten met elkaar, leren elkaar kennen.’

Tweede thuis

‘We merken dat vluchtelingen die dagelijks Nederlanders ontmoeten, een voorsprong hebben op mensen die de hele dag in een asielzoekerscentrum vertoeven of thuiszitten. Ze leren sneller de taal, bouwen een netwerk op, vinden makkelijker hun weg. Zo stellen de 150 vrijwilligers hun netwerk open voor de vluchtelingen. Dat levert nieuwe contacten, nieuwe kansen op. We zijn dus tegelijk een vangnet én een springplank naar de maatschappij. Vluchtelingen noemen BOOST een tweede thuis; ze blijven terugkomen, ook als ze werk hebben. Om mensen te ontmoeten, als vrijwilliger. De toeloop wordt steeds groter, de diversiteit aan vluchtelingen neemt toe. Ze leren van de Nederlanders, maar ook over elkaars cultuur. Dat is een verrijking. En veel Amsterdammers zien het contact met de buitenlanders ook als een verrijking. We hebben dan ook nooit een tekort aan vrijwilligers. De uitdaging zit in het geld; we moeten ieder jaar opnieuw knokken om alles gefinancierd te krijgen. Dat vind ik wel teleurstellend. Iedereen kan zien hoe groot de impact is. Je gunt iedere gemeente een BOOST, zeggen mensen weleens. Ze hebben gelijk.’ – Ramon Schleijpen, coördinator BOOST

‘Het is bijzonder dat je hier alles kunt zeggen’

Salar:

‘Ik kom uit Iran. Ik werkte in een testlaboratorium voor asfalt en beton. Ook was ik freelance journalist voor een online platform van BBC Persian. Samenwerken met westerse media is in Iran genoeg reden om opgepakt te worden. Dat gebeurde, ik zat ruim twee jaar in de gevangenis. Nadat ik vrijkwam, ben ik gevlucht. Ik heb zestien maanden in Turkije gewoond, maar ik wilde naar Duitsland. Tot een vriend tegen me zei: je kunt beter naar Nederland gaan, daar werkt de aanmeldprocedure sneller. Ik wist helemaal niets over Nederland. Toch ben ik gegaan. In augustus 2015 kwam ik aan in het asielzoekerscentrum in Ter Apel.’

Verblijfsvergunning

‘Ik voelde me direct welkom, alhoewel ik niemand kende en de taal niet sprak. De mensen waren vriendelijk en behulpzaam. En wat me rust gaf: ik zat in een procedure. Ik wist dat het even kon duren, maar er ging wel iets gebeuren. Binnen zes maanden kreeg ik een verblijfsvergunning voor vijf jaar. Ik kan je verzekeren: het was een van de mooiste dagen van mijn leven! Ik had al jaren geen paspoort meer namelijk.

Ik verhuisde van Ter Apel naar opvangcentra in Budel en Luttelgeest. Na een jaar kreeg ik een woning in Amsterdam toegewezen. Ik was al met de Nederlandse taal bezig, maar ik wilde meer: vrienden maken, de cultuur en geschiedenis leren kennen. Via Facebook vond ik BOOST. Hier heb ik taalles gehad, vrienden gemaakt en ik doe er nog altijd vrijwilligerswerk, onder meer als fotograaf. Ik heb ook als vrijwilliger in een bioscoop gewerkt. Vrijwilligerswerk is zo belangrijk: voor de taal, voor je netwerk. Je bent zinvol bezig en je hoort ergens bij.’

Blijven

‘Ik heb ook cursussen gevolgd in programmeren en marketing. Sinds een paar maanden heb ik betaald werk, dat is zó fijn. Drie dagen per week werk ik bij de backoffice van de Refugee Talent Hub. Dat is een organisatie die vluchtelingen aan betaalde banen helpt. Ik verzorg onder meer de promotie op sociale media. In de toekomst wil ik me verder ontwikkelen in marketing. En nog beter Nederlands leren, want ik wil hier heel graag blijven. Ik heb het goed naar mijn zin. Ik werk, heb vrienden, een goed sociaal leven. In Iran zat ik zeven dagen per week in een laboratorium, hier ben ik vooral onder de mensen. Dat vind ik als mensenmens heerlijk. Nederland is een heel fijn land om te wonen. Wat ik bijzonder vind, is dat je alles kunt zeggen zonder dat mensen boos worden. Ik kan mezelf zijn. Ja, ik begin me al een beetje Nederlander te voelen.’ – Salar Anshari (37)