‘Mijn moeder hield van mijn vader, ze vertrouwde hem blindelings. Totdat ze erachter kwam hoe hij daadwerkelijk was. Hij bedroog mensen, gebruikte geweld, dealde drugs. Toen hij vertrok – ik was twee – liet hij haar achter in de shit. Hij bleek op haar naam van alles te hebben gekocht en afgesloten. Ze moet het ontzettend zwaar hebben gehad, en dat raakt me nog steeds.
Kapotte schoenen
Ik was geen makkelijk kind. Ik was vaak boos, woedend zelfs. Ik begreep het zelf ook niet. De wijk waarin ik opgroeide was vol armoe. Ik herinner me de kapotte schoenen, en ook het steeds op scherp staan omdat er altijd wel wat was. Wat ook niet meezat: ik kon als kind moeilijk praten, bepaalde klanken kreeg ik niet uitgesproken. Dat alles maakte me op school een makkelijk doelwit. Die school lag een stukje verderop in een meer welvarende wijk waar kinderen met een goed gevulde broodtrommel van huis kwamen. Het verwarde me als ik van huis naar school fietste en weer terug. Dan vroeg ik me af: hoe kan dat? Hoe kunnen die verschillen in tien minuten fietsen zo groot zijn?