Souvenirwinkels vol prullaria, coffeeshops achter vervallen gevels, dag en nacht geopende raambordelen – eind jaren negentig bepaalden ze het straatbeeld van de Amsterdamse binnenstad. Veel van die panden waren in handen van criminelen en dienden om geld wit te wassen. De gemeente besloot in te grijpen en schakelde vastgoedbedrijf Stadsgoed in om de gebouwen weer toekomst te geven. ‘Dat doen we nog steeds: panden opknappen en er weer plekken van maken waar de buurt iets aan heeft.’ In een huizenmarkt die vaak draait om torenhoge huren en snelle winst, zwemt Stadsgoed juist tegen de stroom in. ‘We gaan voor gematigde huurprijzen en een mix van bewoners: van agenten en leraren tot kunstenaars, starters en kleine winkeliers’, zegt Ronald. ‘Het levert financieel minder op, maar je krijgt er een stad voor terug die in balans blijft.’
Een huiskamer op de wallen
Stadsgoed kijkt altijd naar wat een buurt nodig heeft. Gebiedsgericht werken, noemt Ronald dat. Zo ook aan de Oudezijds Voorburgwal, midden op de Wallen. Pal naast het Leger des Heils bouwen Stadsgoed en Kansfonds samen aan een nieuw project: zeven woningen voor voormalig dakloze mensen. Ronald legt uit: ‘Iedereen krijgt een eigen kamer, maar er is ook een plek om samen te koken of tv te kijken. De begeleiding wordt volledig verzorgd door Stichting Het Koffiehuis. Zij kennen de doelgroep door en door en helpen dakloze mensen om de regie over hun leven terug te nemen. Zij dragen ook de bewoners aan. Een groep die elkaar al kent en overdag samenwerkt vergroot de kans dat het samenleven slaagt. Het gaat om mensen die vaak jarenlang op straat hebben geleefd, soms zonder paspoort, BSN of bankrekening. Zonder die basis kun je bij de gemeente nergens terecht. Juist daarom vonden wij dat we in actie moesten komen. Ieder mens heeft namelijk recht op een plek om thuis te komen.’ Hoeveel verschil een dak boven je hoofd kan maken, zag Ronald bij een man die al twintig jaar in het Vondelpark sliep, zomer en winter. ‘Hij had alleen een slaapzak en een vuilniszak en bewaarde die onder een struik. Iedere dag leefde hij met de angst dat ze zouden worden weggehaald. Toen hij eindelijk een kamer kreeg, ging het snel beter. Nu werkt hij drie dagen per week bij een aannemer en kookt hij wekelijks voor dakloze mensen. ’